De energietransitie is nodig, allereerst om de opwarming van de aarde te beperken. Maar ook om te voorkomen dat wij over tien tot twintig jaar met huid en haar aan de grillen van onfrisse landen zijn overgeleverd.

De grote vervuilers hebben een voortrekkersfunctie bij deze transitie. Ten eerste omdat het niet uit te leggen is waarom een burger €20.000 moet uitleggen om een ton koolstof dioxide uitstoot te voorkomen terwijl een grote vervuiler dat voor €400 kan, maar niet hoeft. Wij zijn ons daarbij bewust dat het wegpesten van grote vervuilers alleen maar een verplaatsing van het probleem is. Daarom subsidieert de gemeenschap de uitstootreductie bij grote vervuilers in de mate waar dit nodig is om deze verplaatsing te voorkomen. En verder zorgen wij dat particulieren slechts worden verplicht tot maatregelen die zich terugverdienen en gedurende de terugverdienperiode de investeringskosten kunnen lenen.

Op de aarde zijn wij zuinig. Wij hebben er maar één van. Maar wij laten ons niet sturen door de angst…

Wij gunnen onze kinderen een wereld waarin de natuur even welig tiert als toen wij kinderen waren. Soortenrijkdom houden wij in stand. Verstedelijking wordt gecompenseerd door uitbreiding van het areaal dat aan natuurgebieden is gewijd.

Boeren zijn producenten en landschapsbeheerders. De gemeenschap betaalt ze slechts voor dat laatste. Voor dieronvriendelijke praktijken betalen wij niet. Koeien mogen weer grazen in de wei en kippen en varkens hebben bewegingsruimte.

Ten aanzien van de opwarming van de aarde kunnen wij twee op twee manieren in de fout gaan. Wij kunnen de ernst daarvan onderschatten, met als gevolg wereldwijde klimaatrampen. Of wij kunnen worden genept door een samenzwering van wetenschappers die ons voorliegen dat klimaatrampen dreigen, met als gevolg dat de maatregelen die wij nemen er slechts voor zorgen dat onze kinderen net zoals wij over fossiele brandstoffen kunnen beschikken en dat wij een beetje voor gek staan. Mensen die de laatste fout veel erger vinden dan de eerste hebben bijzonder kwetsbare ego’s of zijn bijzonder eigenwijs of beide. Ze tonen aan dat ze voor het dragen van regeringsverantwoordelijkheid ongeschikt zijn. Wij nemen onze verantwoordelijkheid, door de maatregelen en doelen van het klimaatakkoord en de aanvullingen van de EU zonder morren te realiseren. En door alvast plannen te maken om de gevolgen van een hoger zeespiegel op te vangen.

Belastingen op auto’s en brandstof worden uitsluitend aangewend ten behoeve van onderhoud van het wegennet en de vermindering van dan wel de compensatie voor de mobiliteitsverbonden milieuvervuiling.

De BPM op een auto dient ter compensatie van de aanslag op het milieu die de productie daarvan veroorzaakt.

De brandstofaccijns dient ter compensatie van de CO2 uitstoot dat een voertuig produceert. Deze uitstoot wordt berekend door ervan uit te gaan dat de brandstof volledig tot verbranding komt.

De motorrijtijgbelasting is bedoeld om de mobiliteitsinfrastructuur te onderhouden. Deze belasting is afhankelijk van de grootte en het gewicht van het voertuig.

Uitbreiding van de mobiliteitsinfrastructuur wordt betaald vanuit de spitsparkeerheffing.

Wij zijn gewend aan overheidsschuld en zien het daarom niet als probleem, en al helemaal niet nu dat de rentes op overheidsschulden negatief zijn. Maar dan halen wij twee dingen door elkaar: of de houdbaarheid en de legitimiteit van de overheidsschuld houdbaar. Is onze generatie bevoegd is deze schuld op het bord van de volgende te deponeren?

Overheidsschuld wordt berekend en verstaan zoals de schuld van elk andere organisatie en persoon, volgens normale boekhoudingsprincipes. Dus niet de boekhoudingsprincipes van politici. In een normale boekhouding betekent het aangaan van een verplichting om iemand in de toekomst iets te betalen dat de aanspraak als een schuld geboekt moet worden en dat geld gereserveerd moet worden om de aanspraak te kunnen honoreren. In een normale boekhouding resulteert een investering in de toegenomen waarde van het bezit, dat bij het vermogen geteld dient te worden.

Zo bezien, hebben wij een AOW-schuld: het bedrag aan opgebouwde AOW-aanspraken dat wij verwachten ooit te moeten uitkeren, minus de reserves die wij opzij hebben gezet om deze aanspraken te kunnen financieren. Deze AOW-schuld is aanzienlijk, het neemt per jaar toe met ongeveer €4.000 per Nederlands ingezetene van tussen de 15 en de 65 jaar, omdat wij niets opzij zetten om de AOW uit te kunnen betalen.

Daar tegenover valt de staatsschuld eigenlijk wel mee. Die bedraagt zo ongeveer 60% van onze Bruto Nationaal Product, maar wordt zo goed als volledig gedekt door de waarde van onze infrstructuur. De netto staatsschuld is ongeveer nul.

Met de onderwijsschuld is het zelfs beter gesteld. De overheid heeft in het verleden betaald voor basis-, voortgezet en hoger onderwijs, en verwacht in de toekomst daarvoor hogere belastingopbrengsten. De onderwijsschuld is flink negatief, wat voor schulden betreft heel prettig is.

Maar wij hebben andere overheidsschulden. In het bijzonder hebben wij een milieuschuld, bestaande onder meer uit de bedragen die wij zullen moeten uitgeven ten behoeve van het tegengaan van de opwarming van de aarde c.q. het bestrijden van de gevolgen daarvan, het oplossen van de stikstofcrisis, en het opruimen van schadelijke stoffen zoals asbest en PFAS. Deze overheidsschuld is pakweg €20.000 per huishouden.

Elke Nederlands ingezetene van 15 jaar en ouder bouwt elk jaar zijn eigen aandeel in de totale overheidsschuld op. Wij hebben allemaal onze persoonlijke staatsschuld. Dit kan worden berekend door de totale toename in de netto overheidsschuld te delen door het aantal ingezetenen. In normale boekhouding is deze schuld echt een persoonlijke schuld en dient het in vermindering op een ieders vermogen te worden gebracht. Wie leeft is rente en aflossing op deze schuld verschuldigd. Wanneer iemand sterft behoort eerst deze schuld te worden ingelost, aalleen wat overblijft komt de erfgenamen toe.