Het Sociaal Contract heeft respect voor iedereen, en weigert mensen de hoek in te duwen omdat wij met hun gedrag oneens zijn. Het doel heiligt de middelen niet.

Rokers zijn volwaardige burgers. Dat houdt niet in dat roken zo maar getolereerd wordt…

Rokers zijn volwaardige burgers en worden als zodanig behandeld. Ze worden niet betutteld en betuttelen anderen ook niet. Rokers worden niet achtergesteld en niet voorgetrokken in het arbeidsproces, de gezondheidszorg of het bijdragen aan gemeenschapsgelden. Accijns op tabak wordt afgeschaft, want de gemeenschap wil daar niet aan verdienen. Op tabaksproducten wordt louter een bijdrage geheven, equivalent aan het bedrag dat in de gezondheidszorg wordt uitgegeven om het aantal kwaliteitsjaren dat met roken verloren gaat te besparen. De opbrengsten hiervan worden aan de gezondheidszorg besteed.

Er wordt niet gerookt op enig overdekte of ommuurde plek waar een burger mag worden geacht zich te begeven zonder eerst toestemming van de roker te vragen. Immers, daar roken zou een betutteling van niet-rokers inhouden, omdat een roker dan voor ze zou uitmaken dat hun lucht mag worden vervuild. Rookruimtes binnen gebouwen waarin gewerkt wordt of horeca wordt bedreven worden niet toegestaan. Overtredingen van rookverboden worden bestraft met fikse boetes voor de overtreders.

Afwezigheid van de werkplek om te roken wordt door werkgevers niet anders behandeld dan daarmee vergelijkbaar structureel verzuim. In de regel houdt dat in dat deze tijd ofwel ingehaald moet worden ofwel tot een inhouding op het loon leidt.

Wij werken aan een rookvrije generatie, niet door roken onbetaalbaar te maken, maar door positieve beeldvorming over roken uit de openbare ruimte te verbannen en door het bewust aanbrengen of handhaven van verslavende kenmerken van rookwaar met gevangenisstraffen te bestrijden. Want dat is gewoon crimineel gedrag.

Wij zijn gewend om zorg te beschouwen als een recht. Voor het Sociaal Contract ligt dat anders: het is een plicht van de gemeenschap om zorg aan te bieden, maar dat maakt het niet zo dat het ontvangen van zorg een recht is. Deze manier van denken is nodig willen wij nu en in de toekomst goede zorg kunnen bieden.

Onze zorgkosten dreigen de komende jaren de pan uit te rijzen. Dat komt door de vergrijzing en het toenemende aanbod van medische ingrepen.

Erger nog dan de stijgende kosten is dat wij van al het geld dat wij aan de zorg besteden niet beter worden. Dat komt omdat wij sturen op de ingrepen en niet op het beoogde resultaat. Pas als wij de medische sector betalen voor toegenomen gezondheid in plaats van het aantal verrichtingen kan de zorg doelmatig worden.

De overheidsbijdrage aan de gezondheidszorg wordt gestuurd door de effecten daarvan, gemeten in termen van verlengde levensduur en toename in kwaliteit van leven – de kwaliteitsjaren maatstaf. Ook het aantal opleidingsplaatsen wordt op deze manier aangestuurd. Elke afzonderlijke medische discipline dagen wij daarmee uit om steeds effectiever te worden, onder meer door de aandacht te verschuiven naar preventie in plaats van genezing. Dat is slechts goed mogelijk als wij afstappen van het aansturen van de zorg op basis van de vraag, want gezonde mensen vragen niet.

Het overheidsbudget voor de zorg wordt tevens aangewend om infrastructuurprojecten te (helpen) bekostigen die de veiligheid bevorderen. Er is geen principieel verschil tussen het besparen van levens met medicijnen en het besparen van levens door een vrijliggende fietspad aan te leggen.

Wij kiezen zo objectief mogelijk, omdat wie niet kiest, daarmee toch een keuze maakt, en meestal een slechte. Deze keuzes worden gebaseerd op de keuzes die twee behoeftigen zouden maken ten aanzien van welke nood het eerst gelenigd wordt, stel dat ze beiden hun naaste lief zou hebben als zichzelf. Wij borgen dat niemand wordt voorgetrokken omdat hij of zij zieliger overkomt, hoger aanzien geniet, minder schuldig aan zijn ziekte of aandoening is of betere connecties heeft. Het gedrag van de patiënt speelt wel een rol bij de inschatting van het nut van een ingreep, en daarmee indirect op de prioriteit waarmee het wordt uitgevoerd, maar ook daar gaan wij uit van het vermogen van de mens zijn gedrag te veranderen, tenzij het tegendeel blijkt. Een verstokte roker die zijn longen kapot heeft gemaakt komt evengoed in aanmerking voor een longtransplantatie als iemand die nooit heeft gerookt, tenzij hij in de wachtperiode doorrookt of in het verleden al is behandeld op basis van de verwachting dat hij met roken zou stoppen maar dat niet heeft gedaan. Wie voor sneller zorg diep in de geldbuidel wil tasten mag dat slechts wanneer dat niet ten koste van een ander gaat; hij moet daarbij via zijn verzekering niet slechts voor zichzelf maar ook voor één ander betalen.

Consumptiegoederen waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze slecht voor de gezondheid zijn worden belast. Dat geldt in het bijzonder voor tabakswaren, alcohol en ‘fast food’. Deze heffing wordt aan de gezondheidszorg besteed. Deelnemers aan boksen, kickboksen en andere sporten waarin systematisch hersenletsel wordt toegebracht betalen per jaar een bijdrage ter compensatie aan de extra zorg dat ze in latere jaren nodig zullen hebben.

Door onvoldoende in kennis te investeren pleegt onze huidige regering roofbouw op ons meest waardevolle bezit. Dat moet drastisch anders…

Talent wordt gestimuleerd. Alle niveaus van ons onderwijssysteem hebben als eerste prioriteit het tot ontwikkeling brengen van de gaven van de studenten die meekunnen. De zesjescultuur wordt afgestraft. Studiefinanciering wordt gekoppeld aan de behaalde cijfers. Een calculerende student besteedt zijn tijd aan het halen van een acht in plaats van aan een bijbaantje. Hoger onderwijs is een grote investering, niet slechts vanwege de circa €15.000 dat een studieplaats jaarlijks kost maar ook de €10.000 aan gederfde volksverzekeringspremies en zorgbelasting. Een student die langer over zijn studie doet om tijd voor een bijbaantje over te houden maakt een afweging die voor de samenleving slecht uitpakt. 

Omdat studie een investering van de gemeenschap in haar toekomst is, is de beurs een gift, niet een lening, ook niet voor mastersstudenten. Daar staat tegenover dat elk jaar waarvan een student een basisbeurs geniet wordt vertaald in een half jaar later AOW krijgen. En in een iets hogere AOW-premie als compensatie voor de kortere opbouwperiode.

Investeringen door bedrijven en universiteiten in kennis worden gestimuleerd door middel van subsidies die als catalyst werken, ze leiden tot meer investeringen door marktpartijen.

De politiek gaat ervan uit dat meer mobiliteit gelijk staat aan meer asfalt, met als enig alternatief het afremmen van autogebruik middels kilometerheffing. Meer asfalt is duur en een kilometerheffing is zeer ingewikkeld. Het Sociaal Contract denkt buiten de kaders en heeft een eenvoudige en doeltreffende oplossing.

Nu dat onze economie weer op gang komt, neemt de verkeersdrukte weer toe. Als wij niet oppassen, komen de files van weleer ook weer terug en zal de asfaltlobby om het hardst roepen dat er meer en breder wegen moeten komen. Maar meer asfalt is de komende jaren echt niet nodig en op langer termijn totaal overbodig, weggegooid geld dus. De coronacrisis heeft ons geleerd dat wij echt niet allemaal tegelijk de weg op moeten. En over pakweg 15 tot 20 jaar bestuurt niemand een auto, omdat computers dat veel beter kunnen, veiliger en met minder ruimte tussen de auto’s. Voor de tussentijd heeft het Sociaal Contract een oplossing die eenvoudiger, goedkoper, eerlijker en doeltreffender is dan meer asfalt.

De bereikbaarheid van de steden wordt gestuurd door het parkeerbeleid. Parkeerplekken die goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer worden aan de spitsparkeerheffing onderworpen.

De spitsparkeerheffing wordt berekend aan de hand van het aantal inwoners welke de parkeerplek vanaf hun woonhuis met openbaar vervoer binnen vijftig minuten kunnen bereiken (desnoods met gebruik van P&R faciliteiten). De heffing is een eenmalig bedrag boven op het tijdsevenredige tarief en geldt voor parkeerbeurten die in de ochtendspits aanvangen, tot maximaal €10. Wie net buiten de spits aankomt of verder vanaf een station parkeert betaalt minder. Bedrijven die over parkeerplekken beschikken betalen daarvoor aan de gemeente, gebaseerd op de aanname dat deze plekken tijdens de spits bezet raken. Dit bedrag kan worden verminderd tot het feitelijke gebruik, indien het bedrijf hiervan een sluitende en extern verifieerbare administratie kan overleggen.

Het geld dat een gemeente aan spitsparkeerheffing int wordt uitsluitend ter bevordering van de mobiliteit aangewend. Op deze manier worden de autorijders voor wie openbaar vervoer geen alternatief is niet op kosten gejaagd; alleen degene voor wie openbaar vervoer een reële optie is betaalt extra om met de auto te gaan. Tevens worden gemeenten gestimuleerd om voor beter openbaar vervoer te zorgen en hebben zij geld om toegangswegen te verbreden.

Ooit dachten wij met de Participatiewet te zorgen dat mensen massaal uit de bijstand zouden stromen richting betaald werk. Maar wij hadden onszelf nooit afgevraagd wat het eigenlijke probleem was. Ondertussen bedachten wij steeds meer en heftiger mechanismes om de mensen in de marges van de arbeidsmarkt daar zo lang mogelijk te houden.

Onze arbeidsmarkt zit op slot. Bijna niemand krijgt nog een vaste aanstelling. Vind je dat gek als een werkgever twee jaar moet doorbetalen bij ziekte en straks een half jaar bij ontslag? Door dit soort maatregelen investeren werkgevers niet in hun mensen. Zo plegen wij roofbouw op onze economie. Het moet en kan anders.

De gemeenschap doet alles in haar macht om te zorgen dat al haar leden naar vermogen zinvolle arbeid verrichten. Dat doen wij primair door een klimaat te scheppen waarin het goed zaken doen is. Wij zijn eerlijk ten opzichte van werkgevers. Daardoor vragen wij hen niet op te draaien voor zaken die zij niet kunnen beïnvloeden. Werkgevers dragen werkgevers-risico’s, werknemers dragen werknemers-risico’s, zo nodig daarin geholpen door de gemeenschap. Winst maken mag, en de gemeenschap zorgt ervoor dat dit niet over de ruggen van haar leden plaats vindt.

Een werkgever die voortdurend in zijn medewerkers investeert om hun inzetbaarheid naar gangbare, toekomstvaste standaarden in zijn branche op peil te houden hoeft niet nog eens te dokken mocht hij ze bij gebrek aan werk moeten ontslaan. De persoonlijke gevolgen van een gebrek aan werk komen voor rekening van de werknemer, die zich daarvoor via de WW verzekert. De persoonlijke gevolgen van een verschuiving in het niveau van het werk komen voor rekening van de werkgever, van wie wij verwachten dat hij zich tot het uiterste inzet om het beste uit zijn werknemers te halen.

Vrijwilligers zijn gelijkwaardig aan mensen die betaalde arbeid verrichten. Regelingen voor mantelzorgers worden uitgebreid tot alle mensen die onbetaald arbeid ten behoeve van het algemene nut verrichten.

Het wordt duurder om werknemers zonder vast dienstverband op de loonlijst te hebben, omdat de scholingsbijdrage rechtstreeks en direct aan de werknemer wordt uitbetaald, met een toeslag omdat de werknemer scholing niet zo gunstig kan inkopen als de werkgever.

Het minimumloon wordt met 15% verhoogd. Deze maatregel maakt Nederlandse goederen en diensten iets duurder, maar bespaart de gemeenschap een veelvoud van deze meerkosten in verminderde bijstandsuitgaven. Werkgevers die exporteren krijgen de kosten die deze maatregel met zich meebrengt vergoed voor het deel van hun omzet dat zij exporteren.

Verder zorgen wij dat onze werkenden minder last van oneerlijke buitenlandse concurrentie hebben. Er komt een heffing op alle import die niet aantoonbaar op basis van een ‘living wage’ geproduceerd of waarbij de productie meer vervuiling oplevert dan in Nederland is toegestaan. Deze heffing wordt besteed in het productieland om alsnog arbeiders te belonen dan wel om milieuschade te compenseren. Voor deze maatregel hebben wij de EU nodig.

De laatste pakweg twintig jaar hebben neoliberale politici ons wijs gemaakt dat marktwerking zo ongeveer de oplossing voor elk probleem was. Ondertussen is zelfs Mark Rutte daarvan teruggekomen. Als het duidelijk is wat geleverd moet worden, helpt marktwerking weinig. Maar waar het gaat om nieuwe producten en nieuwe dienstverlening heeft marktwerking wel degelijk zin. Laten wij de baby niet met het badwater weggooien.

Van het mechanisme van de vrije markt mogen wij net zo min morele uitkomsten verwachten als van de zwaartekracht. Maar wanneer het goed functioneert borgt het dat wij alleen de producten en diensten leveren waar vraag naar is. De tucht van de markt werkt daarin beter dan de willekeur van de bureaucratie.

Waar gemeenschapsgeld geïnvesteerd moet worden om een economische inzinking te voorkomen, wordt het besteed aan bedrijven die anders meegetrokken zouden worden in de val van andere bedrijven, niet aan bedrijven die uit zichzelf op faillissement afstevenen. Dat kan misschien meer kosten, maar de kans dat wij ons geld terugzien is aanmerkelijk groter. Hetzelfde geldt voor landen. Griekenland gaat failliet en dat is goed.

De vrije markt is een onmisbaar instrument om te zorgen dat wij datgene produceren waar vraag naar is. Onze eerste prioriteit is te borgen dat de markt zijn werk kan doen. Waar een goede werking van de markt vanwege onevenwichtige verhoudingen tussen aanbieders en afnemers niet vanzelfsprekend is, borgen wij door middel van regulering en gedwongen transparantie dat de uitkomsten reëel zijn. Waar de uitkomsten inhouden dat medewerkers meer betaald krijgen dan de Balkenende norm, gaan wij verder: wij investeren in trainingsprogramma’s opdat het aanbod van mensen die dit werk kunnen doen aanmerkelijk wordt vergroot. En voor zover de betreffende werkgevers en werknemers niet aan de transparantie of de training willen meewerken, worden de hoge lonen met een tarief van minimaal 75% belast. Waar de uitkomsten van de markt inhouden dat medewerkers minder dan het minimumloon betaald worden, investeren wij in het opleiden van deze mensen naar ander werk. Werkgelegenheid wordt slechts door middel van structurele subsidies in stand gehouden bij wijze van bijstand. Anders zouden wij vergelijkbare nood onvergelijkbaar lenigen en zouden wij het pijnsignaal dat de markt ons geeft negeren, waardoor wij de kansen missen om beter gebruik van onze capaciteiten te maken.

De verhouding tussen de gemeenschap als werkgever en ambtenaren is per definitie onevenwichtig. Ambtenaren mogen daarvan niet de dupe worden. Hun lonen worden op basis van transparante en stabiele regels bepaald.

Immigratie is weliswaar een heikel onderwerp, maar het leent zich om conform de gouden regel te worden ingevuld.

Van oudsher is ons land een immigratieland, en steeds zijn wij er beter van geworden. Deze positieve balans willen wij handhaven. Maar wij zijn wel voorzichtig met immigratie. Het raakt het hart van de gemeenschap.

De beslissing om een huwelijkspartner toe te laten tot Nederland is een beslissing die de gemeenschap aangaat. Het moet om een echt commitment tussen partners gaan, dusdanig dat de in Nederland woonachtige partner bereid is zich in het land van zijn of haar partner te vestigen indien en voor zolang de buitenlandse partner niet in Nederland wil of kan wonen. Een aanvraag om een buitenlandse partner naar Nederland te mogen halen wordt vergezeld door een borg van tienduizend euro. Een rechter toetst of het redelijk is dat Nederland het vestigingsland van het paar zal zijn, rekening houdend met hun beider kennis van de taal en cultuur van beide landen en de mogelijkheden tot vestiging in dat andere land, onder het axioma dat beide vestigingslanden gelijkwaardig zijn. Bij een rechterlijke afwijzing wordt de borg teruggestort nadat de aanvrager zich daadwerkelijk in dat andere land gevestigd heeft. Bij een toewijzing wordt de borg teruggestort nadat de buitenlandse partner een eigen verblijfsstatus in Nederland heeft verworven of niet meer in Nederland woont, in beide gevallen onder aftrek van tussentijds genoten bijstandsuitkeringen van een of beide partners en met toevoeging van rente.

Waar een of beide huwelijkspartners zich niet aan hun verplichtingen houden en het niet mogelijk is hen het land uit te zetten worden ze geacht zich buiten de gemeenschap te hebben geplaatst.

Gezinnen, daar moeten wij het van hebben. Het Sociale Contract gelooft dat wij als gemeenschap daarin moeten investeren.

Het gezin is de belangrijkste plaats waar wij leren wat een gemeenschap is en hoe wij daarin tot ons recht kunnen komen. Goed functionerende gezinnen zijn mede daarom voorwaardelijk voor een goed functionerende gemeenschap. Een investering in de gezinnen van ons land is een investering in onze gemeenschappelijke toekomst.

Het Sociaal Contract investeert in gezinnen door de zorg van ouders en grootouders voor kinderen te belonen. Wie zorgt voor een of meer kinderen uit een gezin die te jong zijn om naar school te gaan ontvangt per dag een dagloon dat op jaarbasis voldoende is om de volksverzekeringspremies te betalen. Zorg voor basisschoolkinderen wordt beloond met de helft van dat bedrag. Ouders die er voor kiezen om hun kinderen op een crèche of bij de naschoolse opvang onder te brengen kunnen de volledige kosten over de uren die ze werken in mindering brengen op hun belastbare inkomens over deze uren. Crèches worden goedkoper doordat bijstandsontvangers als de tweede kracht in elke groep hun bijstand verdienen. Daarnaast is er kinderbijslag voor elk tweede en daarop volgende kind uit een gezin, totdat ze de basisschool verlaten.

De beloning aan ouders en grootouders wordt gefinancierd als investering. Het geld dat wij daaraan uitgeven wordt geoormerkt per jaar om uit de inkomstenbelastingen van twintig jaar verderop te worden gehaald.

Onze samenleving hinkt op twee benen als het gaat om boetes. Ze zijn bedoeld als straf, maar ook om de staatskas te spekken. Hierdoor geven wij de daders twee tegenstrijdige signalen.

Maatregelen om wetten te handhaven zijn bedoeld om ons land veiliger te maken, niet om de gemeenschapskas te spekken. De inzet is gedragsverbetering.

Wanneer je een verkeersovertreding begaat krijg je daar de eerste keer geen boete voor, maar een schriftelijke waarschuwing, die uiterlijk de dag na de overtreding op de post wordt gedaan.

Alle opbrengsten van verkeersboetes worden besteed aan de verkeersveiligheid. Niemand moet kunnen zeggen dat hij of zij beboet is om de staatskas te spekken, om zich daardoor een vrijbrief te geven verkeersgevaarlijk gedrag voort te zetten of anderen tot dergelijk gedrag aan te zetten. Mensenlevens zijn daar veel te belangrijk voor. Dat is overigens ook de reden waarom de hoogte van boetes stijgt met de draagkracht van de overtreder.

Financiële prikkels worden tevens ingezet voor gedragsverbetering van criminelen. Wie inbreekt, steelt of mensen aanvult krijgt naast een vrijheidsstraf dat op de aard van de daad is afgestemd tevens een boete dat forfaitair is afgestemd op de impact op de slachtoffer. Deze boete wordt aan de slachtoffer uitgekeerd. Om een voorbeeld te geven, wanneer er wordt ingebroken voelt de bewoner zich niet langer veilig in eigen huis en wil die daarom het liefst verhuizen. De boete voor de dader wordt forfaitair vastgesteld op de kosten van een verhuizing, inclusief overdrachtsbelasting, makelaarskosten, de verhuizing zelf en de inrichtingskosten van de nieuwe woning. Dit wordt in rekening gebracht bij de dader. Mocht de dader dit niet kunnen betalen, dan wordt het bedrag door de overheid voorgeschoteld en aan zijn persoonlijke staatsschuld toegevoegd. Indien alle perspectief dat deze schuld ooit wordt terugbetaald ontbreekt, wordt de dader beschouwd als ware hij een asielzoeker.

Bovengenoemde aanpak wordt tevens ingezet om katvangers tot andere gedachten te brengen. Het ‘business model’ van een katvanger is dat niemand hem iets kan maken, omdat er van een kale kip geen veren geplukt kunnen worden. Maar het idee dat hij het recht om te blijven wonen waar hij woont daarmee kan verliezen ondermijnt dit model.

Democratie wordt vaak gedefinieerd als de helft plus 1. Dat is niet hoe Het Sociaal Contract het wil. Wij stellen spelregels voor die voorkomen dat de meerderheid haar macht misbruikt om anderen haar wil op te leggen. Recht gaat voor democratie.

Democratie stoelt op de gelijkwaardigheid van alle leden van de gemeenschap. De meerderheid respecteert de minderheid en behandelt die zoals zij zelf ook behandeld zou willen worden, zij is met de minderheid solidair. Ook in het democratisch proces hanteren wij de gouden regel als toetssteen. Van ieder deel van de gemeenschap mag worden gevraagd: zou u behandeld willen worden zoals u anderen behandelt? Deze vraag slaat niet slechts op de uitkomsten, maar ook op het proces. De Duitse bezetting van Nederland tijdens de oorlog zou fout zijn geweest, zelfs al hadden ze alleen maar onze bestwil voor ogen, en zelfs al zou ze daarin zijn geslaagd. Wat wij willen doen bepalen wij zelf, daar gaat een ander niet over. Schulden schuiven wij niet door naar volgende generaties, ook al doen wij het om hun bestwil, want wij gaan niet over hun geld.

Wij accepteren dat de gouden regel ook op ons wordt toegepast. Met de maat waarmee wij meten zullen wij zelf gemeten worden. Dat is een extra prikkel om de gouden regel consequent te hanteren, want de mogelijkheid dat de rollen weleens omgekeerd zullen worden kan niet worden uitgesloten.

Democratie is een spel waarin de deelnemers de regels tijdens het spel kunnen veranderen. En daarom zijn er regels om te bepalen welke veranderingen zijn toegestaan. Deze regels staan in onze grondwet. Grondwet staat boven wet. Artikel 1 van de grondwet geeft aan dat niet gediscrimineerd mag worden. Wetten die tot gevolg hebben dat de ouderen van nu voorrechten krijgen op een manier die het onmogelijk maakt om de ouderen van straks dezelfde voorrechten te geven, zijn discriminerend.