Elke investeerder weet het: je kunt een slechte investering niet oplossen door enkel meer geld er tegenaan te gooien. Don’t throw good money after bad! Maar dat is precies wat wij tijdens de coronacrisis hebben gedaan.

Tijdens de coronacrisis bestede ons land heel veel geld om bestaande bedrijven op de been te houden. Om goed uit de crisis te komen, moeten wij juist veel investeren in de bedrijven van de toekomst. Het Sociaal Contract geeft daar richtlijnen voor.

Een investering is verantwoord als het meer oplevert dan het kost. Dan resulteert het niet in een toename van de eigenlijke staatsschuld, ook al loopt de officiële staatsschuld wel op. Maar het is natuurlijk niet zeker op de verwachte opbrengst daadwerkelijk gehaald wordt. Daarom wordt de investering achteraf geëvalueerd. Sowieso om ervan te leren, maar ook om de eigenlijk staatsschuld te corrigeren.

Een investering is eerlijk als ieder investeringsvoorstel onbevooroordeeld onderzocht wordt en vervolgens de beste voorstellen geïmplementeerd worden. Dit selectieproces wordt door onafhankelijke partijen met regelmaat en diepgang getoetst.

De politiek gaat ervan uit dat meer mobiliteit gelijk staat aan meer asfalt, met als enig alternatief het afremmen van autogebruik middels kilometerheffing. Meer asfalt is duur en een kilometerheffing is zeer ingewikkeld. Het Sociaal Contract denkt buiten de kaders en heeft een eenvoudige en doeltreffende oplossing.

Nu dat onze economie weer op gang komt, neemt de verkeersdrukte weer toe. Als wij niet oppassen, komen de files van weleer ook weer terug en zal de asfaltlobby om het hardst roepen dat er meer en breder wegen moeten komen. Maar meer asfalt is de komende jaren echt niet nodig en op langer termijn totaal overbodig, weggegooid geld dus. De coronacrisis heeft ons geleerd dat wij echt niet allemaal tegelijk de weg op moeten. En over pakweg 15 tot 20 jaar bestuurt niemand een auto, omdat computers dat veel beter kunnen, veiliger en met minder ruimte tussen de auto’s. Voor de tussentijd heeft het Sociaal Contract een oplossing die eenvoudiger, goedkoper, eerlijker en doeltreffender is dan meer asfalt.

De bereikbaarheid van de steden wordt gestuurd door het parkeerbeleid. Parkeerplekken die goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer worden aan de spitsparkeerheffing onderworpen.

De spitsparkeerheffing wordt berekend aan de hand van het aantal inwoners welke de parkeerplek vanaf hun woonhuis met openbaar vervoer binnen vijftig minuten kunnen bereiken (desnoods met gebruik van P&R faciliteiten). De heffing is een eenmalig bedrag boven op het tijdsevenredige tarief en geldt voor parkeerbeurten die in de ochtendspits aanvangen, tot maximaal €10. Wie net buiten de spits aankomt of verder vanaf een station parkeert betaalt minder. Bedrijven die over parkeerplekken beschikken betalen daarvoor aan de gemeente, gebaseerd op de aanname dat deze plekken tijdens de spits bezet raken. Dit bedrag kan worden verminderd tot het feitelijke gebruik, indien het bedrijf hiervan een sluitende en extern verifieerbare administratie kan overleggen.

Het geld dat een gemeente aan spitsparkeerheffing int wordt uitsluitend ter bevordering van de mobiliteit aangewend. Op deze manier worden de autorijders voor wie openbaar vervoer geen alternatief is niet op kosten gejaagd; alleen degene voor wie openbaar vervoer een reële optie is betaalt extra om met de auto te gaan. Tevens worden gemeenten gestimuleerd om voor beter openbaar vervoer te zorgen en hebben zij geld om toegangswegen te verbreden.

Ooit dachten wij met de Participatiewet te zorgen dat mensen massaal uit de bijstand zouden stromen richting betaald werk. Maar wij hadden onszelf nooit afgevraagd wat het eigenlijke probleem was. Ondertussen bedachten wij steeds meer en heftiger mechanismes om de mensen in de marges van de arbeidsmarkt daar zo lang mogelijk te houden.

Onze arbeidsmarkt zit op slot. Bijna niemand krijgt nog een vaste aanstelling. Vind je dat gek als een werkgever twee jaar moet doorbetalen bij ziekte en straks een half jaar bij ontslag? Door dit soort maatregelen investeren werkgevers niet in hun mensen. Zo plegen wij roofbouw op onze economie. Het moet en kan anders.

De gemeenschap doet alles in haar macht om te zorgen dat al haar leden naar vermogen zinvolle arbeid verrichten. Dat doen wij primair door een klimaat te scheppen waarin het goed zaken doen is. Wij zijn eerlijk ten opzichte van werkgevers. Daardoor vragen wij hen niet op te draaien voor zaken die zij niet kunnen beïnvloeden. Werkgevers dragen werkgevers-risico’s, werknemers dragen werknemers-risico’s, zo nodig daarin geholpen door de gemeenschap. Winst maken mag, en de gemeenschap zorgt ervoor dat dit niet over de ruggen van haar leden plaats vindt.

Een werkgever die voortdurend in zijn medewerkers investeert om hun inzetbaarheid naar gangbare, toekomstvaste standaarden in zijn branche op peil te houden hoeft niet nog eens te dokken mocht hij ze bij gebrek aan werk moeten ontslaan. De persoonlijke gevolgen van een gebrek aan werk komen voor rekening van de werknemer, die zich daarvoor via de WW verzekert. De persoonlijke gevolgen van een verschuiving in het niveau van het werk komen voor rekening van de werkgever, van wie wij verwachten dat hij zich tot het uiterste inzet om het beste uit zijn werknemers te halen.

Vrijwilligers zijn gelijkwaardig aan mensen die betaalde arbeid verrichten. Regelingen voor mantelzorgers worden uitgebreid tot alle mensen die onbetaald arbeid ten behoeve van het algemene nut verrichten.

Het wordt duurder om werknemers zonder vast dienstverband op de loonlijst te hebben, omdat de scholingsbijdrage rechtstreeks en direct aan de werknemer wordt uitbetaald, met een toeslag omdat de werknemer scholing niet zo gunstig kan inkopen als de werkgever.

Het minimumloon wordt met 15% verhoogd. Deze maatregel maakt Nederlandse goederen en diensten iets duurder, maar bespaart de gemeenschap een veelvoud van deze meerkosten in verminderde bijstandsuitgaven. Werkgevers die exporteren krijgen de kosten die deze maatregel met zich meebrengt vergoed voor het deel van hun omzet dat zij exporteren.

Verder zorgen wij dat onze werkenden minder last van oneerlijke buitenlandse concurrentie hebben. Er komt een heffing op alle import die niet aantoonbaar op basis van een ‘living wage’ geproduceerd of waarbij de productie meer vervuiling oplevert dan in Nederland is toegestaan. Deze heffing wordt besteed in het productieland om alsnog arbeiders te belonen dan wel om milieuschade te compenseren. Voor deze maatregel hebben wij de EU nodig.

De laatste pakweg twintig jaar hebben neoliberale politici ons wijs gemaakt dat marktwerking zo ongeveer de oplossing voor elk probleem was. Ondertussen is zelfs Mark Rutte daarvan teruggekomen. Als het duidelijk is wat geleverd moet worden, helpt marktwerking weinig. Maar waar het gaat om nieuwe producten en nieuwe dienstverlening heeft marktwerking wel degelijk zin. Laten wij de baby niet met het badwater weggooien.

Van het mechanisme van de vrije markt mogen wij net zo min morele uitkomsten verwachten als van de zwaartekracht. Maar wanneer het goed functioneert borgt het dat wij alleen de producten en diensten leveren waar vraag naar is. De tucht van de markt werkt daarin beter dan de willekeur van de bureaucratie.

Waar gemeenschapsgeld geïnvesteerd moet worden om een economische inzinking te voorkomen, wordt het besteed aan bedrijven die anders meegetrokken zouden worden in de val van andere bedrijven, niet aan bedrijven die uit zichzelf op faillissement afstevenen. Dat kan misschien meer kosten, maar de kans dat wij ons geld terugzien is aanmerkelijk groter. Hetzelfde geldt voor landen. Griekenland gaat failliet en dat is goed.

De vrije markt is een onmisbaar instrument om te zorgen dat wij datgene produceren waar vraag naar is. Onze eerste prioriteit is te borgen dat de markt zijn werk kan doen. Waar een goede werking van de markt vanwege onevenwichtige verhoudingen tussen aanbieders en afnemers niet vanzelfsprekend is, borgen wij door middel van regulering en gedwongen transparantie dat de uitkomsten reëel zijn. Waar de uitkomsten inhouden dat medewerkers meer betaald krijgen dan de Balkenende norm, gaan wij verder: wij investeren in trainingsprogramma’s opdat het aanbod van mensen die dit werk kunnen doen aanmerkelijk wordt vergroot. En voor zover de betreffende werkgevers en werknemers niet aan de transparantie of de training willen meewerken, worden de hoge lonen met een tarief van minimaal 75% belast. Waar de uitkomsten van de markt inhouden dat medewerkers minder dan het minimumloon betaald worden, investeren wij in het opleiden van deze mensen naar ander werk. Werkgelegenheid wordt slechts door middel van structurele subsidies in stand gehouden bij wijze van bijstand. Anders zouden wij vergelijkbare nood onvergelijkbaar lenigen en zouden wij het pijnsignaal dat de markt ons geeft negeren, waardoor wij de kansen missen om beter gebruik van onze capaciteiten te maken.

De verhouding tussen de gemeenschap als werkgever en ambtenaren is per definitie onevenwichtig. Ambtenaren mogen daarvan niet de dupe worden. Hun lonen worden op basis van transparante en stabiele regels bepaald.